“Mijn vader wilde mij niet.” zei ze wat uitdagend met haar kin omhoog met een ‘mij raak je niet’-blik in haar ogen. Tot in de puntjes verzorgd zag ze eruit, leuk haar, vlot gekleed, coole schoenen, hippe tas. Geslaagd in het leven, ze had een leuke baan, een fijne partner, een paar leuke kinderen. Ze kwam bij mij omdat ze maar niet loskwam van haar perfectionisme en ze had het idee dat dat met haar vader te maken had. Haar vader had autisme en zijn regels waren wet, vroeger bij haar thuis. Hij was streng en afkeurend naar zijn omgeving en ook naar zijn gezin. Er was weinig beweging en flexibiliteit mogelijk. Toen ze jong was, had haar moeder haar verteld dat haar vader geen kinderen wilde, maar dat kinderen krijgen er nu eenmaal bij hoorde in die tijd. Ze herinnert zich nog levendig dat gesprek. En ook hoe ze niets goed kon doen in zijn ogen. Alles was hem teveel, voelde ze tot in haar tenen, zelfs het feit dat zij bestond.

Als kind word je geboren in de binding van de ouder-kindrelatie. Die binding is onderdeel van de natuurlijke symbiose die tijdens de zwangerschap en tijdens en vlak na de geboorte ontstaat. Als jong kind had je die symbiose ook nodig omdat je volledig afhankelijk was van je ouders. Die binding was (zoals voor ieder kind) ongelijk, omdat je ouders voor hun voortbestaan niet afhankelijk waren van jou, maar jij wel van hen. In het opgroeien is er niets belangrijker voor een kind dan om bij het gezin te gaan en blijven horen. Je stond totaal open voor alle bewegingen, gevoelens, blikken, woorden, aanrakingen van je ouders. Als jong kind deed je alles om hun goedkeuring te krijgen. Voor veel kinderen is dat eenvoudig, omdat ze van hun ouders automatisch liefde krijgen. Voor jou als kind van ouders met een psychische problematiek was dat veel moeilijker omdat je ouders in beslag werden genomen door hun psychische problemen. Daardoor was er weinig tot geen ruimte voor jou.

Voor mijn cliënte gold dit ook. Haar autistische vader was niet in staat naar zijn dochter te kijken en in zijn hoofd ruimte te hebben voor haar vraag om zijn goedkeuring en liefde. Hij zag alleen maar wat ze niet goed deed. Haar manier om hiermee om te gaan was om alles perfect te doen, want als dat lukte, zou hij haar misschien eindelijk een knuffel of compliment geven, of iets vriendelijks tegen haar zeggen. Het gebeurde nooit, kritiek was het enige wat ze van hem kreeg.

En zo kent ze het nog steeds. In de opstelling die ik met haar deed, representeerde ik haar vader en huilde ze. En zei ze: ”Ik kon niet voldoen. En dat is van jou, niet van mij. Ik ben oké zoals ik ben.” Daardoor ontstond er rust. Haar neiging naar perfectionisme is niet weg en dat hoeft ook niet. Het heeft haar trouw gediend en veel gebracht. Ze zal nog heel vaak tegen zichzelf moeten zeggen: “Ik ben oké zoals ik ben, en ik hoef niet perfect te zijn.” Nu zal ze wat vaker merken dat, wanneer ze het weer perfect probeert te doen, ze adem kan halen en kan zeggen: “Ik doe dit voor mijzelf, niet voor jou, papa.” En de liefde van haar vader zoals zij die zo nodig had als kind, zal wellicht nooit komen. Hoe pijnlijk ook, dat is zoals het is.