Gisteren deed ik een geleide meditatie. Ik zat op mijn kussen en hoorde de uitnodigende stem van de begeleider in mijn oortjes. Mijn adem zakte en ik voelde hoe mijn lichaam rustiger werd. Op een zeker moment vroeg de begeleider om contact te maken met je moeder of je grootmoeder achter je. Het besef dat ik daar niemand voelde, druppelde langs de binnenkant van mijn schedel naar beneden naar mijn hart en door mijn ogen naar buiten. Geen moeder, tante, grootmoeder. Ik voelde geen bedding van vrouwen achter mij.
De tranen van gemis stroomden over mijn wangen. Gemis van wat nooit geweest is. Bedding en warmte is niet wat ik aantrof in het leven. En op die plek wil ik niet graag zijn. Daar wil ik liever niet aan herinnerd worden, ik wil er liever niet mee in aanraking zijn. Het voelt na al die jaren en het vele werk dat ik hierop heb gedaan nog steeds soms zo rauw en pijnlijk. Ik kon weer zo de eenzaamheid voelen, die ik ken uit mijn jeugd. Die eenzaamheid die ik ken als een vertrouwde jas die ik soms ineens weer zie hangen wanneer ik de kast opendoe. En ik moet hem weer even aantrekken, het moet.
Wat in de loop van de tijd makkelijker is geworden, is erbij te blijven. Door oefening en het telkens weer aan te kijken. En door de weerstand heen te gaan. Want ik wil het liever niet! Het snijdt zo diep. Door erbij te blijven, me mijn tranen toe te staan en niet te proberen ervan weg te gaan, voelde ik na een tijdje mijn lieve vriendinnen als zusters naast me, en mijn leermeester Wietske achter me. En, door nog wat dieper door te ademen, voel ik de oermoeder achter me, die alle vrouwen en het vrouwelijke draagt en waar alle vrouwen uit voortkomen.
Wat elke keer weer van mij gevraagd wordt, is er doorheen te gaan, erbij te blijven, hoe groot mijn weerstand ook is. Want door er telkens van weg te gaan, neemt het gemis een steeds grotere plek in. Wanneer ik er niet elke keer weer opnieuw om rouw, winnen de leegte en de eenzaamheid aan zeggingskracht in mijn leven, en verlies ik mijn autonomie. En na een tijdje zo te zitten, kon ik meer in de kussens leunen als in de armen van de Grote Moeder. En door me aan die armen over te geven, ontstaat er rust. O ja, ik mag me overgeven, ik mag rusten, ik mag steun ontvangen.
Vanuit die plek kan ik weer het leven in stappen en in verbinding zijn met mijn omgeving. Niet omdat de leegte er dan niet mag zijn, maar juist omdat hij er is. Door de leegte te erkennen, is de verbinding met mensen om mij heen weer mogelijk. De leegte hoeft niet opgevuld, maar mijn weten van leegte maakt dat ik het contact vanuit diepe verbinding kan ervaren.
Hoe is dit voor jou? Hoe maak je contact met wat jou steunt? Ik ben benieuwd naar je verhaal.